De Cuberdon
1/2 >

Sinds de uitvinding ervan, meer dan 150 jaar geleden, heeft het beroemde paarse kegeltje veel suiker doen vloeien. Het snoepje is ongeveer even oud als het Koninkrijk België zelf en houdt heel wat geheimen in stand, niet alleen over de oorsprong ervan, maar ook rond de samenstelling van het ambachtelijke recept…

Een wijd verspreide legende leert ons dat de cuberdon zou zijn ontstaan in de 19e eeuw door toedoen van een lid van de clerus in de streek van Brugge. In Franssprekend België wordt de cuberdon wel eens "bonnet de curé" genoemd, wat evenveel betekent als pastoorshoed.

Deze Vlaamse piste lijkt te worden bevestigd door de etymologie. In oud-Nederlands zou "kuper" zoveel betekenen als kegeltje, een vorm die onlosmakelijk verbonden is met die van de cuberdon.

Het vlakke Vlaanderen gebruikt voor dit snoepje echter zelden de Franse naam "cuberdon". Het goddelijke snoepje gaat er over de toonbank als een neuzeke, een tsoepke, een topneus, een topke, en zoveel meer.

In 2000 komt er alweer een nieuwe, etymologische uitleg voor de oorsprong van het woord "cuberdon". De auteur beweert dat het een verbastering is van het woord "cul (de) bourdon".

Cuberdons Léopold in hun gietvormen, toegedekt met zetmeel